3εἰ καί/ καὶ εἰ
(ook) al; ofschoon; hoewel
4ἐπεί
wanneer; toen; omdat
5ἐπειδή
wanneer; toen; omdat
7ἵνα
opdat; om te (+ conj.)
8μή
dat (na ww. van ‘vrezen’)
10ὅπως
opdat; om te (+ conj.); dat (na ww. van ‘ervoor zorgen’)
13ὡς
wanneer; toen; nadat; aangezien; zoals; opdat; om te (+conj.); dat