4αἰσθάνεσθαι
(be)merken; gewaarworden
6ἀκούειν
horen; luisteren naar (+gen.)
7ἁλίσκεσθαι
gegrepen worden
8ἁμαρτάνειν
missen; een fout begaan
10ἀμύνειν
afweren; beschermen
11ἀναγιγνώσκειν
herkennen; lezen
13ἀναλίσκειν
gebruiken; opdoen
15ἀπέχειν
verwijderd zijn van (+ gen.)
21ἅπτεσθαι
zich vasthouden aan; aanraken
22ἀρέσκειν
aanstaan; bevallen
23ἄρχειν
heersen over (+gen.)
25αὐξάνειν
doen groeien; vermeerderen
29βασιλεύειν
heersen over; koning zijn over (+ gen.)
33βουλεύειν
beraadslagen; besluiten
34βουλεύεσθαι
overwegen; (bij zichzelf) besluiten
35γίγνεσθαι
worden; ontstaan; gebeuren
36γιγνώσκειν
leren kennen; begrijpen
42διαλέγεσθαι
een gesprek voeren met (+ dat.)
43διατρίβειν
verbruiken; tijd doorbrengen
44διαφέρειν
tot het einde verdragen; verschillen
45(δια)φθείρειν
vernietigen; bederven
47δικάζειν
berechten; veroordelen
49δύειν
aantrekken; onderdompelen
53ἐλαύνειν
voortdrijven; treffen
56ἐπιβουλεύειν
beramen; belagen (+ dat.)
57ἐπιτρέπειν
toevertrouwen
62εὔχεσθαι
wensen; bidden tot (+ dat.)
64ἥδεσθαι
zich verheugen; blij zijn
65ἥκειν
komen; gekomen zijn
67θαυμάζειν
verwonderd zijn; bewonderen
68θεραπεύειν
(ver)eren; dienen
70καίειν
branden; verbranden
71κατέχειν
tegenhouden; verkrijgen
72κελεύειν
aansporen; bevelen
75κομίζειν
brengen; dragen
76κρίνειν
onderscheiden; oordelen
78κρύπτεσθαι
zich verbergen
79κωλύειν
verhinderen; beletten