Vocabulaire

149 flashcardsby Sophie
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
Belge
Belg
2
Belgique
België
3
marié
getrouwd
4
Et toi?
En jij?
5
Un chat
Een kat
6
Un chien
Een hond
7
Un mari
Een man
8
Une femme
Een vrouw
9
Une voiture
Een auto
10
Une sœur
Een zus
11
A la maison
Thuis
12
malade
ziek
13
être prêt
zijn klaar
14
Un vélo
Een fiets
15
Content
blij
16
Enfants
kinderen
17
Un problème
Een probleem
18
Une voiture rouge
Een rode auto
19
Il est fatigué
Hij is moe
20
à l'école
op school
21
une question
een vraag
22
ici
hier
23
Il est absent
Hij is er niet
Hij is hier niet
Hij is vermist
24
Un rendez-vous
een afspraak
25
au travail
aan het werk
26
un livre
een boek
27
en retard
laat
28
une maison
een huis
29
deux frères
twee broers
30
triste
triest, droevig
31
heureux
vrolijk
32
Avez-vous un stylo?
Heeft u een pen?
33
gentille
aardig, leuk
34
dans la voiture
in de auto
35
une guitare
een gitaar
36
à la gare
op het station
37
une robe bleue
een blauwe jurk
38
une idée
een idee
39
en classe
in de les
40
là-bas
daar
41
à l'hôpital
in het ziekenhuis
42
un sac
een tas
43
en vacances
op vakantie
44
un bébé
een baby
45
une pomme
een appel
46
grande
groot
47
animal de compagnie
huisdier
48
être en forme
zijn in goede vorm
49
un stylo bleu
een blauwe pen
50
malade
ziek
51
un petit frère
een broertje
52
au marché
op de markt
53
être en colère
zijn boos
54
amis
vrienden
55
un sac noir
een zwarte tas
56
à Bruxelles
in Brussel
57
être en famille
zijn met familie
58
une chaise
een stoel
59
un ami, une amie
een vriend
60
beau, belles...
shoonheid/ prachtig
61
des clefs
sleutels
62
au café
in het cafe/ in de koffieshop
63
une table
een tafel
64
un plan
een plan/ een kaart
65
une maison blanche
een wit huis
66
au lit
in bed
67
libre
vrij
68
un manteau gris
een grijze jas
69
être ensemble
zijn samen
70
des livres
boeken
71
des chaussures
schoenen
72
elle est professeur
ze is een lerares
73
une montre
een horloge
74
voisins
buren
75
une chemise
een overhemd
76
jeune
jong
77
es-tu occupé ?
heb je het druk?
78
au parc
in het park
79
une belle photo
een mooie foto
80
un chapeau
een hoed
81
une chaise bleue
een blauwe stoel
82
vous avez des papiers?
hebt u papieren?
83
un livre vert
een groen boek
84
un café
een koffie
85
au bureau
op kantoor
86
un examen
een examen
87
un ballon
een bal
88
médecin
dokter
89
dans le bus
in de bus
90
une lampe
een lamp
91
une reunion
een ontmoeting
92
en France
in Frankrijk
93
dans la cuisine
in de keuken
94
un livre rouge
een rood boek
95
un sac à dos
een rugzak
96
j'ai des lunettes
ik heb een bril
97
un jardin
een tuin
98
une chemise bleue
een blauw overhemd
99
une valise
een koffer
100
au supermarché
in de supermarkt
101
un appartement
een flat
102
une jolie robe
een mooie jurk
103
dans le train
in de trein
104
à l'hôtel
in het hotel
105
un fils
een zoon
106
fleurs
bloemen
107
une voiture rouge
een rode auto
108
des professeurs
leraren
109
une télévision
een televisie
110
dans la cuisine
in de keuken
111
un frère jumeau
een tweelingbroer
112
un enfant
een kind
113
j'ai une idée folle
ik heb een gek idee
114
un bon livre
een goed boek
115
une tasse
een kopje
116
Le salon
de woonkamer
117
à la gare
op het station
118
calme
kalm
119
une voiture noire
een zwarte auto
120
une petite soeur
een zusje
121
un chien blanc
een witte hond
122
une robe jaune
een gele jurk
123
une famille
een gezin
124
un manteau chaud
een warme jas
125
en ville
in de stad
126
des stylos
pennen
127
un cahier
een notitieboekje
128
un chapeau noir
een zwarte hoed
129
avez-vous une idée ?
hebt u enig idee?
130
un professeur
een leraar
131
un bon repas
een goede maaltijd
132
une maison blanche
een wit huis
133
une belle vue
een moi uitzicht
134
une belle maison
een mooi huis
135
une chaise bleue
een blauwe stoel
136
un ordinateur
een computer
137
la chambre
de slaapkamer
138
elles sont dehors
ze zijn buiten
139
une table rouge
een rode tafel
140
un rendez-vous
een afspraak
141
dans la rue
op straat
142
est-ce que tout va bien pour vous?
is alles goed met u?
143
vous êtes d'accord?
Bent u oké? Bent u akkord? met ......
144
un nouveau telephone
een nieuwe telefoon
145
une chaise rouge
een rode stoel
146
en ville
in de stad
147
une fête
een feest
148
j'ai une petite maison
ik heb een klein huis
149
une television, une tele
een televisie, een tv
Study all 149 cards for free