8ηδη
1 al, reeds 2 (vanaf) nu
15τοτε
dan, toen, op dat moment
17αρα, αρ
vraagwoord (niet vertalen)
18αρα μη
toch (zeker) niet
19αρ ου(κ)
toch (zeker) wel
23και δη και
en ook, en vooral
25μαλιστα
vooral, het meest
27ουτω(ς)
zo, op deze wijze
31ως ταχιστα
zo snel mogelijk
32αδυνατος (m/v), -ον (2x)
1 niet in staat 2 onmogelijk
33ακων, ακουσα, ακον, ακοντος
onvrijwillig, tegen de zin
34ανα-, αν- (voorvoegsel)
omhoog-, -op
36ατε + ptc
omdat, aangezien
37γαμεω (+acc)
trouwen (met) (ow is een man)
39δακρυω (+acc)
huilen (over)
40δεινος, -η, -ον (2x)
1 angstaanjagend, vreselijk 2 indrukwekkend
44ο καρπος (3x)
1 vrucht 2 gewas 3 opbrengst
45μεταβαλλω (2x)
1 verplaatsen 2 veranderen
46οφειλω + inf
verplicht zijn om
49φυω
laten groeien, doen ontstaan
50το φως, φωτος
(dag)licht
51ο χειμων, χειμωνος (2x)
1 winter 2 storm
52η χειρ, χειρος
hand, arm
53η ψυχη (2x)
1 leven, ziel 2 geest, schim
54ων, ουσα, ον, οντος
ptc prs van ειμι
55αδικος (m/v), -ον
onrechtvaardig
57ανηγαγον
aor van αναγω (omhoog leiden)
58αρχω (2x)
1 beginnen 2 heersen (over) + gen
61εδεισα (aor.)
ik werd bang (voor)
62ενετυχον + dat
aor van εντυγχανω (tegenkomen, ontmoeten)
63εντυγχανω +dat
tegenkomen, ontmoeten
64ο ερως, ερωτος
liefde, begeerte
65ηλθον (aor)
ik kwam, ik ging
66ημαρτον
aor van αμαρτανω (missen, zich vergissen)
67ηρξα
aor van αρχω (beginnen, heersen over)
68κατεσχον
aor van κατεχω (vasthouden, tegenhouden, in zijn macht houden, beheersen)
69κατεχω (2x)
1 vasthouden, tegenhouden 2 in zijn macht houden, beheersen
71κωλύω
tegenhouden, verhinderen
74η οδος 2x (herh)
1 weg 2 tocht
75ολιγος, -η, -ον
weinig, gering
77υπερ + acc (2x)
1 over, aan de overzijde van 2 boven, te boven gaand