Grieks woorden Thema 7

89 flashcardsby Starbucks
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
κτάομαι
verwerven
2
βούλομαι
(graag) willen
3
δεῖ
1. +inf het is nodig om 2. +acc +inf (iemand) moet
4
ὁ ἀγων, ἀγωνος
wedstrijd, strijd
5
δέχομαι
aannemen, ontvangen
6
ἡ ἀρχη
1 begin 2 heerschappij, rijk
7
φοβεομαι
bang zijn, vrezen
8
οἰομαι
menen, vermoeden
9
χρηομαι
gebruiken, omgaan met
10
νυκτος
's nachts
11
ἐρχομαι
gaan, komen
12
ὑπισχνεομαι
beloven
13
ἀντι
in ruil voor, in plaats van
14
ἡ βοηθεια
hulp
15
πειθομαι
gehoorzamen, geloven
16
το ἁρμα, ἁρματος
wagen, strijdwagen
17
ἀγωνιζομαι (προς +acc)
strijden, een wedstrijd houden (tegen)
18
ὁ ἀνεμος
wind
19
ἑπομαι
volgen
20
καί ... καί
zowel ... als
21
ὁ μισθος
loon, soldij
22
αἰτεω
(iemand iets) vragen, eisen
23
ἐπι, ἐπ', ἐφ'
1 op ... af, naar 2 gedurende
24
αἱρέομαι
kiezen
25
αἴρω
optillen
26
ἅμα, ἅμ᾽
tegelijk (met)
27
ἀμύνομαι
zich verdedigen (tegen)
28
ἀνοίγω
openen
29
ἅπτομαι
vastpakken, aanraken
30
αὖθις
opnieuw, weer
31
γίγνομαι
1. geboren worden, ontstaan 2. worden 3. gebeuren
32
ἔτυψα
aor van τύπτω (slaan)
33
εὖ
goed
34
ἥττων, -ον
zwakker, minder
35
θεάομαι
bekijken, beschouwen
36
ἰδού
zie daar
37
μείζων, -ον
groter
38
ὀργίζομαι
boos worden (op/over)
39
πανταχοῦ
overal
40
παύομαι
1. + gen ophouden met 2.+ ptc prs. ophouden te/met
41
πολύ
veel
42
τὸ πρόσωπον
gezicht
43
τύπτω
slaan
44
ὑπό, ὑπ᾽, ὑφ᾽
1. onder 2. (bij passief) door
45
φαίνομαι
1. zich tonen, verschijnen 2. +inf schijnen, lijken
46
ὥσπερ
1. (net) zoals 2. net alsof
47
ἁλίσκομαι
1. gevangen genomen worden 2. betrapt worden
48
ἀναγκάζω
noodzaken, dwingen
49
ἀποφαίνω
1. aantonen, bewijzen 2. openbaar maken
50
ὁ ἄρχων, ἄρχοντος
leider, heerser
51
ἀφικνέομαι
aankomen
52
ἀφικόμην
aor van ἀφικνέομαι (aankomen)
53
γυμνός, -ή, -όν
bloot, naakt
54
δύομαι
1. duiken (in), ondergaan 2. aantrekken
55
ἑάλων
aor van ἁλίσκομαι (1. gevangen genomen worden 2. betrapt worden)
56
ἐάω
(toe)laten, toestaan
57
ἐβουλήθην
aor van βούλομαι (graag willen)
58
ἔδυν
aor van δύομαι (1 duiken (in), ondergaan 2 aantrekken)
59
εἴασα
aor van ἐάω ((toe)laten, toestaan)
60
ἐφάνην
aor van φαίνομαι (1 zich tonen, verschijnen 2 (+ inf) schijnen, lijken)
61
ἡ βουλή
1. besluit, plan 2. advies, raad
62
ἥδομαι
zich verheugen (over)
63
ἦλθον
aor van ἔρχομαι (gaan, komen)
64
καινός, -ή, -όν
nieuw
65
μάχομαι
strijden (met/tegen)
66
οἱ μέν ... οἱ δέ
sommigen ... anderen
67
ὠργίσθην
aor van ὀργίζομαι (boos worden (op/over))
68
τὸ ἆθλον
(wedstrijd)prijs
69
ἄξιος, -α, -ον
(iets) waard, waardig
70
αὐξάνομαι
groeien
71
γυμνάζω
oefenen, trainen
72
ἐγενόμην
aor van γίγνομαι (1 geboren worden, ontstaan 2 worden 3 gebeuren)
73
εἷς, μία, ἕν, ἑνός
één
74
ἐπυθόμην
aor. van πυνθάνομαι (vernemen)
75
ἡ ἰσχύς, ἰσχύος
kracht
76
ἴσως
misschien
77
καρτερός, -ά, -όν
sterk, krachtig
78
κράτιστος, -η, -ον
sterkst, best
79
ὁ νεανίας, -ου
jongeman
80
τὸ ξύλον
(voorwerp van) hout
81
οἴκαδε
naar huis
82
οἷος, -α, -ον τ' εἰμί
in staat zijn
83
ὅλος, -η, -ον
(ge)heel, volledig
84
ὁ πολίτης
burger, medeburger
85
πυνθάνομαι
1. vernemen
2. prs. vragen naar, informeren naar
86
πῶς
hoe
87
τὸ σῶμα, σώματος
lichaam
88
ὁ ταῦρος
stier
89
ὡς
dat
Study all 89 cards for free