3δεῖ
1. +inf het is nodig om 2. +acc +inf (iemand) moet
4ὁ ἀγων, ἀγωνος
wedstrijd, strijd
5δέχομαι
aannemen, ontvangen
6ἡ ἀρχη
1 begin 2 heerschappij, rijk
7φοβεομαι
bang zijn, vrezen
9χρηομαι
gebruiken, omgaan met
13ἀντι
in ruil voor, in plaats van
15πειθομαι
gehoorzamen, geloven
16το ἁρμα, ἁρματος
wagen, strijdwagen
17ἀγωνιζομαι (προς +acc)
strijden, een wedstrijd houden (tegen)
20καί ... καί
zowel ... als
22αἰτεω
(iemand iets) vragen, eisen
23ἐπι, ἐπ', ἐφ'
1 op ... af, naar 2 gedurende
27ἀμύνομαι
zich verdedigen (tegen)
29ἅπτομαι
vastpakken, aanraken
31γίγνομαι
1. geboren worden, ontstaan 2. worden 3. gebeuren
32ἔτυψα
aor van τύπτω (slaan)
34ἥττων, -ον
zwakker, minder
35θεάομαι
bekijken, beschouwen
38ὀργίζομαι
boos worden (op/over)
40παύομαι
1. + gen ophouden met 2.+ ptc prs. ophouden te/met
44ὑπό, ὑπ᾽, ὑφ᾽
1. onder 2. (bij passief) door
45φαίνομαι
1. zich tonen, verschijnen 2. +inf schijnen, lijken
46ὥσπερ
1. (net) zoals 2. net alsof
47ἁλίσκομαι
1. gevangen genomen worden 2. betrapt worden
48ἀναγκάζω
noodzaken, dwingen
49ἀποφαίνω
1. aantonen, bewijzen 2. openbaar maken
50ὁ ἄρχων, ἄρχοντος
leider, heerser
52ἀφικόμην
aor van ἀφικνέομαι (aankomen)
53γυμνός, -ή, -όν
bloot, naakt
54δύομαι
1. duiken (in), ondergaan 2. aantrekken
55ἑάλων
aor van ἁλίσκομαι (1. gevangen genomen worden 2. betrapt worden)
56ἐάω
(toe)laten, toestaan
57ἐβουλήθην
aor van βούλομαι (graag willen)
58ἔδυν
aor van δύομαι (1 duiken (in), ondergaan 2 aantrekken)
59εἴασα
aor van ἐάω ((toe)laten, toestaan)
60ἐφάνην
aor van φαίνομαι (1 zich tonen, verschijnen 2 (+ inf) schijnen, lijken)
61ἡ βουλή
1. besluit, plan 2. advies, raad
62ἥδομαι
zich verheugen (over)
63ἦλθον
aor van ἔρχομαι (gaan, komen)
65μάχομαι
strijden (met/tegen)
66οἱ μέν ... οἱ δέ
sommigen ... anderen
67ὠργίσθην
aor van ὀργίζομαι (boos worden (op/over))
68τὸ ἆθλον
(wedstrijd)prijs
69ἄξιος, -α, -ον
(iets) waard, waardig
71γυμνάζω
oefenen, trainen
72ἐγενόμην
aor van γίγνομαι (1 geboren worden, ontstaan 2 worden 3 gebeuren)
74ἐπυθόμην
aor. van πυνθάνομαι (vernemen)
77καρτερός, -ά, -όν
sterk, krachtig
78κράτιστος, -η, -ον
sterkst, best
80τὸ ξύλον
(voorwerp van) hout
82οἷος, -α, -ον τ' εἰμί
in staat zijn
83ὅλος, -η, -ον
(ge)heel, volledig
84ὁ πολίτης
burger, medeburger
85πυνθάνομαι
1. vernemen
2. prs. vragen naar, informeren naar
87τὸ σῶμα, σώματος
lichaam