4aangenaam (niet: agradable, cómodo, -a)
encantado, -a
6aantekeningen
los apuntes
10afgestudeerde aan de universiteit, alumnus
licenciado, -a (m/f)
11afscheid nemen
despedirse
12afschuwelijk, onuitstaanbaar
odioso, -a
14afspreken
quedar, citarse
15afstand doen van, afzien van
renunciar
20bamboe(hout)
la caña de bambú
21bananenboom
el banano, el bananero, el platanero
22beantwoorden (niet: responder)
contestar
23bedelaar
mendigo, -a (m/f)
24bedoeling, doel
el propósito
26bedriegen, oplichten
engañar
30bereid zijn tot
estar dispuesto, -a a
31bereiken, slagen in
lograr; conseguir
32bergketen
la sierra; la cordillera
34beschadigen
estropear; perjudicar
35beschikken over
disponer de
38beu zijn
estar harto, -a de
44bij wijze van spreken
por decirlo así
50boeket
el ramo de flores
51boerderij, landgoed
la granja; la finca; la hacienda
54braam(struik)
la zarzamora
58brandstof
el combustible
59broeikaseffect
el efecto invernadero
60bronstig zijn
estar en celo
62bruin glas
el vidrio marrón
64brutaaltje, schoft
sinvergüenza (m/f)
67Costa Ricaans
costarricense
68dakloze(n)
los sin techo, la persona sin hogar
71de groeten
los recuerdos, los saludos
73deining, golfslag
el oleaje
75dier, ongedierte
el bicho
79Draai er niet om heen!
¡No te vayas por las ramas!
80drukkende hitte
el bochorno
82duurzame energie, alternatieve E
las energías renovables; alternativas
83echtgenoot, echtgenote
cónyuge (m/f)
84ecotax
el ecotasa; el impuesto ecológico
88eis, aanmaning, klacht
la reclamación
90el concepto
begrip, mening
92el parecer
mening, oordeel
94erfgenaam
heredero, -a (m/f)
95verpesten, ergeren, storen
fastidiar
97ezel
burro, -a (m/f); mulo, -a (m/f); asno, -a (m/f)
99formaliteit, eis
el requisito
100gangbaar, gewoonlijk
corriente
101gastdocent
lector, -ora (m/f)
104geconfronteerd worden met
enfrentarse a
105gedrag
el comportamiento; la conducta
106gefeliciteerd
enhorabuena
110gemeenschappelijk
común
111gemeentehuis
el ayuntamiento
114geringschatten
despreciar
116gewaardeerd, tactvol
considerado, -a
120glasbak, glascontainer
el contenedor de vidrio
121goedkeuring
la aprobación
127grondstof
la materia prima
128groot gezin
familia extendida
133hartelijk
afectuoso, -a, cordial
135helaas
desgraciadamente
141het burgerlijk huwelijk
la unión civil, la unión de hecho
142het genoegen, het genot
el placer
143het gescheiden ophalen van vuilnis
la recogida selectiva de basuras
144het is aan te raden
conviene
145het nieuwtje
la novedad
149hinder, last
la molestia
150hogedrukgebied
el anticiclón
152hoogachtend
atentamente
153hoogleraar
catedrático, -a (m/f)
157houding (niet: la conducta, el comportamiento)
la actitud
162iemand afwijzen, een blauwtje laten lopen
dar calabazas a alguien
163iets grappig, de charme
la gracia
167in elk geval
de todos modos
168in geen geval
de ninguna manera
169In hemelsnaam!
¡Por Dios!
170in overeenstemming met, volgens
conforme
171industriegebied
el polígono industrial
172inktvis, octopus
el pulpo
173jaloers
celoso, -a; envidioso, -a
182klein gezin
familia nuclear
183kleinkind
nieto, -a (m/f)
184konijn
conejo, -a (m/f)
194lagedrukgebied, cycloon
el ciclón
196lastig, vervelend, saai
pesado, -a
201lid
socio, -a (m/f), el miembro
204lui
vago, -a; perezoso, -a
209marsmannetje
marciano, -a (m/f)
213met vriendelijke groeten
cordialmente, atentamente
216milieu
el medio ambiente
220moerassig
pantanoso, -a
222mono, -a
aardig, leuk, mooi
224moordenaar
asesino, -a (m/f)
228nagel, klauw, hoef
la uña
233niet eens, zelfs niet
ni siquiera
236o ja, tussen haakjes
a propósito
237oerwoud, jungle
la selva
241olievlek op zee
la marea negra
242omgeving
los alrededores
243omgeving (v.e. stad), de buitenwijken
las afueras
244onbewolkt, helder
despejado, -a; sereno, -a
246ongevaarlijk
inofensivo, -a
247ontmoeting
el encuentro
248ontwikkeld
desarrollado, -a; culto, -a
249onvoldoende
el suspenso
252opeisen, vorderen
reclamar
253ophelderen, toelichten
aclarar
254opletten, opmerken, zich vastleggen
fijarse
256oplichter
estafador, -ora (m/f)
257opvliegend zijn
tener mal genio
261overtuigd
convencido, -a
263overvaller
atracador, -ora (m/f)
269pech hebben
tener mala suerte
270pech, tegenslag, het ongeluk
la desgracia
276profiteren
aprovecharse
277put, kuil, bron
el pozo
278raad, advies
el consejo
280rekwisiet, attribuut
la utilería
282riem (dieren)
la correa
290rubber
el caucho, la goma
291ruimtelijke ordening
la planificación territorial
292ruimteschip
la nave espacial
293samengesteld gezin
familia reconstruida
298schoonouder
suegro, -a (m/f)
300schoot, oud ijzer
la chatarra