1aanbidden (adorer)
aanbad - aanbeden
2aanbieden (offrir)
bood aan - aangeboden
3aanheffen (soulever, commencer)
hief aan - aangeheven
4aansteken (allumer)
stak aan - aangestoken
5aanwijzen (indiquer, montrer)
wees aan - aangewezen
6afbreken (détruire, casser)
brak af - afgebroken
7aflopen (se terminer)
liep af - afgelopen
8afsnijden (couper)
sneed af - afgesneden
9aftreden (démissionner)
trad af - afgetreden
10bedenken (imaginer, réfléchir)
bedacht - bedacht
11bederven (gâter, corrompre)
bedierf - bedorven
12bedriegen (tromper, duper)
bedroog - bedrogen
13beginnen (commencer)
begon - begonnen
14begraven (enterrer)
begroef - begraven
15besluiten (décider)
besloot - besloten
16bestrijden (combattre)
bestreed - bestreden
17bevinden (se trouver)
bevond - bevonden
18bevriezen (geler)
bevroor - bevroren
19bewijzen (prouver)
bewees - bewezen
20bezoeken (visiter)
bezocht - bezocht
21bidden (prier)
bad - gebeden
22bieden (offrir)
bood - geboden
23bijten (mordre)
beet - gebeten
24binden (lier)
bond - gebonden
25blazen (souffler)
blies - geblazen
26blijven (rester)
bleef - gebleven
27breken (casser)
brak - gebroken
28brengen (apporter)
bracht - gebracht
29buigen (plier)
boog - gebogen
30delven (creuser)
dolf (of: delfde) - gedolven
31denken (penser)
dacht - gedacht
32doen (faire)
deed - gedaan
33doorgeven (transmettre)
gaf door - doorgegeven
34dragen (porter)
droeg - gedragen
35drinken (boire)
dronk - gedronken
36druipen (couler, goutter)
droop - gedropen
37duiken (plonger)
dook - gedoken
38ervaren (expérimenter)
ervoer (of: ervaarde) - ervaren
39eten (manger)
at - gegeten
40fluiten (siffler)
floot - gefloten
41gaan (aller)
ging - gegaan
42gebieden (ordonner)
gebood - geboden
43gelden (valoir)
gold - gegolden
44genezen (guérir)
genas - genezen
45genieten (profiter, jouir)
genoot - genoten
46geven (donner)
gaf - gegeven
47gieten (verser)
goot - gegoten
48glijden (glisser)
gleed - gegleden
49glimmen (luire, briller)
glom - geglommen
50graven (creuser)
groef - gegraven
51hangen (pendre)
hing - gehangen
52hebben (avoir)
had - gehad
53heffen (soulever)
hief - geheven
54helpen (aider)
hielp - geholpen
55hijgen (haleter)
hijgde (of: heeg) - gehijgd (of: gehegen)
56hoeven (devoir, avoir besoin)
hoefde - gehoeven (of: gehoefd)
57houden (tenir, aimer)
hield - gehouden
58houwen (tailler, frapper)
hieuw - gehouwen
59kiezen (choisir)
koos - gekozen
60kijken (regarder)
keek - gekeken
61klimmen (grimper)
klom - geklommen
62kluiven (mâcher, ronger)
kloof - gekloven
63knijpen (pincer)
kneep - geknepen
64komen (venir)
kwam - gekomen
65kopen (acheter)
kocht - gekocht
66krijgen (recevoir)
kreeg - gekregen
67krimpen (rétrécir)
kromp - gekrompen
68kruipen (ramper)
kroop - gekropen
69kunnen (pouvoir)
kon - gekund
70laten (laisser)
liet - gelaten
71lezen (lire)
las - gelezen
72liegen (mentir)
loog - gelogen
73liggen (être couché)
lag - gelegen
74lijden (souffrir)
leed - geleden
75lijken (sembler)
leek - geleken
76lopen (marcher)
liep - gelopen
77melken (traire)
molk (of: melkte) - gemolken
78meten (mesurer)
mat - gemeten
79moeten (devoir)
moest - gemoeten
80mogen (pouvoir, avoir la permission)
mocht - gemogen
81nemen (prendre)
nam - genomen
82ontbijten (prendre le petit déjeuner)
ontbeet - ontbeten
83opblazen (gonfler)
blies op - opgeblazen
84opmeten (mesurer)
mat op - opgemeten
85opschrijven (noter)
schreef op - opgeschreven
86opschuiven (faire glisser)
schoof op - opgeschoven
87opschrikken (sursauter)
schrok op (of: schrikte op) - opgeschrokken (of: opgeschrikt)
88pluizen (dépiauter, éplucher)
ploos (of: pluisde) - geplozen (of: gepluisd)
89prijzen (honorer)
prees - geprezen
90prijzen (coller des étiquettes)
prijsde - geprijsd
91rieken (sentir, flairer)
rook - geroken
92rijden (conduire)
reed - gereden
93rijten (déchirer)
reet - gereten
94rijzen (se lever, surgir)
rees - gerezen
95roepen (appeler)
riep - geroepen
96ruiken (sentir, avoir une odeur)
rook - geroken
97schelden (injurier)
schold - gescholden
98schenden (violer, profaner)
schond - geschonden
99schenken (offrir, verser)
schonk - geschonken
100scheppen (créer, faire)
schiep - geschapen
101scheppen (avec une pelle)
schepte - geschept
102scheren (raser)
schoor - geschoren
103scheren (passer près de, frôler)
scheerde - gescheerd
104schieten (tirer)
schoot - geschoten
105schrijven (écrire)
schreef - geschreven
106schrikken (avoir peur)
schrok - geschrokken
107schuiven (glisser)
schoof - geschoven
108slaan (frapper)
sloeg - geslagen
109slapen (dormir)
sliep - geslapen
110slijpen (aiguiser)
sleep - geslepen
111slijten (user)
sleet - gesleten
112slinken (diminuer, fondre)
slonk - geslonken
113sluiten (fermer)
sloot - gesloten
114smelten (fondre)
smolt - gesmolten
115snijden (couper)
sneed - gesneden
116snuiten (se moucher)
snoot - gesnoten
117snuiven (renifler)
snoof - gesnoven
118spinnen (filer, tisser)
spon - gesponnen
119spijten (regretter)
speet - gespeten
120splijten (fendre)
spleet - gespleten
121spreken (parler)
sprak - gesproken
122springen (sauter)
sprong - gesprongen
123spugen (cracher)
spuugde (of: spoog) - gespuugd (of: gespogen)
124spuiten (asperger, pulvériser)
spoot - gespoten
125staan (être debout)
stond - gestaan
126sterven (mourir)
stierf - gestorven
127stijgen (monter, augmenter)
steeg - gestegen
128stinken (puer)
stonk - gestonken
129stoten (heurter, pousser)
stootte (of: stiet) - gestoten
130strijden (combattre)
streed - gestreden
131strijken (repasser, frotter)
streek - gestreken
132stuiven (s’envoler, tourbillonner)
stoof - gestoven
133terugvinden (retrouver)
vond terug - teruggevonden
134tijgen (partir, s’avancer)
toog - getogen
135treden (marcher, entrer)
trad - getreden
136treffen (rencontrer, atteindre)
trof - getroffen
137trekken (tirer)
trok - getrokken
138uitblazen (souffler, éteindre)
blies uit - uitgeblazen
139uittrekken (enlever, retirer)
trok uit - uitgetrokken
140uitvinden (inventer)
vond uit - uitgevonden
141uitzenden (diffuser, émettre)
zond uit - uitgezonden
142vallen (tomber)
viel - gevallen
143vangen (attraper)
ving - gevangen
144varen (naviguer)
voer (of: vaarde) - gevaren
145vechten (se battre)
vocht - gevochten
146verbieden (interdire)
verbood - verboden
147verbinden (lier, relier)
verbond - verbonden
148verblijven (séjourner)
verbleef - verbleven
149verdenken (suspecter)
verdacht - verdacht
150vergeten (oublier)
vergat - vergeten
151verheffen (élever)
verhief - verheven
152verkiezen (préférer, élire)
verkoos - verkozen
153verkopen (vendre)
verkocht - verkocht
154verliezen (perdre)
verloor - verloren
155vermijden (éviter)
vermeed - vermeden
156verschuiven (déplacer)
verschoof - verschoven
157verwijzen (référer)
verwees - verwezen
158verzoeken (demander, solliciter)
verzocht - verzocht
159vinden (trouver)
vond - gevonden
160vlechten (tresser)
vlocht - gevlochten
161vliegen (voler en avion ou oiseaux)
vloog - gevlogen
162voldoen (satisfaire, remplir)
voldeed - voldaan
163voorlezen (lire à voix haute)
las voor - voorgelezen
164vragen (demander)
vroeg - gevraagd
165vreten (dévorer, manger voracement)
vrat - gevreten
166vriezen (geler)
vroor - gevroren
167vrijen (faire l’amour)
vrijde (of: vree) - gevrijd (of: gevreeën)
168waaien (souffler, vent)
woei (of: waaide) - gewaaid
169wassen (laver)
waste - gewassen
170wegen (peser)
woog - gewogen
171weglaten (omettre)
liet weg - weggelaten
172weglopen (s’enfuir)
liep weg - weggelopen
173werpen (jeter)
wierp - geworpen
174werven (recruter)
wierf - geworven
175weten (savoir)
wist - geweten
176weven (tisser)
weefde - geweven
177wijken (céder, reculer)
week - geweken
178wijzen (montrer)
wees - gewezen
179willen (vouloir)
wou (of: wilde) - gewild
180worden (devenir)
werd - geworden
181wreken (venger)
wreekte - gewroken
182wrijven (frotter)
wreef - gewreven
183wringen (tordre)
wrong - gewrongen
184zeggen (dire)
zei (of: zegde) - gezegd
185zeiken (se plaindre, chier)
zeikte (of: zeek) - gezeikt (of: gezeken)
186zenden (envoyer)
zond - gezonden
187zien (voir)
zag - gezien
188zijn (être)
was - geweest
189zingen (chanter)
zong - gezongen
190zinken (couler)
zonk - gezonken
191zitten (être assis)
zat - gezeten
192zoeken (chercher)
zocht - gezocht
193zuigen (aspirer, sucer)
zoog - gezogen
194zullen (devoir au futur)
zou - (gezuld)
195zweren (jurer, promettre solennellement)
zwoer (of: zweerde) - gezworen (gezweerd)
196zweren (avoir un ulcère)
zwoor (of: zweerde) - gezworen
197zwerven (errer)
zwierf - gezworven
198zwijgen (se taire)
zweeg - gezwegen