Sterke werwoorden (+trad fr)

198 flashcardsby Théo
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
aanbidden (adorer)
aanbad - aanbeden
2
aanbieden (offrir)
bood aan - aangeboden
3
aanheffen (soulever, commencer)
hief aan - aangeheven
4
aansteken (allumer)
stak aan - aangestoken
5
aanwijzen (indiquer, montrer)
wees aan - aangewezen
6
afbreken (détruire, casser)
brak af - afgebroken
7
aflopen (se terminer)
liep af - afgelopen
8
afsnijden (couper)
sneed af - afgesneden
9
aftreden (démissionner)
trad af - afgetreden
10
bedenken (imaginer, réfléchir)
bedacht - bedacht
11
bederven (gâter, corrompre)
bedierf - bedorven
12
bedriegen (tromper, duper)
bedroog - bedrogen
13
beginnen (commencer)
begon - begonnen
14
begraven (enterrer)
begroef - begraven
15
besluiten (décider)
besloot - besloten
16
bestrijden (combattre)
bestreed - bestreden
17
bevinden (se trouver)
bevond - bevonden
18
bevriezen (geler)
bevroor - bevroren
19
bewijzen (prouver)
bewees - bewezen
20
bezoeken (visiter)
bezocht - bezocht
21
bidden (prier)
bad - gebeden
22
bieden (offrir)
bood - geboden
23
bijten (mordre)
beet - gebeten
24
binden (lier)
bond - gebonden
25
blazen (souffler)
blies - geblazen
26
blijven (rester)
bleef - gebleven
27
breken (casser)
brak - gebroken
28
brengen (apporter)
bracht - gebracht
29
buigen (plier)
boog - gebogen
30
delven (creuser)
dolf (of: delfde) - gedolven
31
denken (penser)
dacht - gedacht
32
doen (faire)
deed - gedaan
33
doorgeven (transmettre)
gaf door - doorgegeven
34
dragen (porter)
droeg - gedragen
35
drinken (boire)
dronk - gedronken
36
druipen (couler, goutter)
droop - gedropen
37
duiken (plonger)
dook - gedoken
38
ervaren (expérimenter)
ervoer (of: ervaarde) - ervaren
39
eten (manger)
at - gegeten
40
fluiten (siffler)
floot - gefloten
41
gaan (aller)
ging - gegaan
42
gebieden (ordonner)
gebood - geboden
43
gelden (valoir)
gold - gegolden
44
genezen (guérir)
genas - genezen
45
genieten (profiter, jouir)
genoot - genoten
46
geven (donner)
gaf - gegeven
47
gieten (verser)
goot - gegoten
48
glijden (glisser)
gleed - gegleden
49
glimmen (luire, briller)
glom - geglommen
50
graven (creuser)
groef - gegraven
51
hangen (pendre)
hing - gehangen
52
hebben (avoir)
had - gehad
53
heffen (soulever)
hief - geheven
54
helpen (aider)
hielp - geholpen
55
hijgen (haleter)
hijgde (of: heeg) - gehijgd (of: gehegen)
56
hoeven (devoir, avoir besoin)
hoefde - gehoeven (of: gehoefd)
57
houden (tenir, aimer)
hield - gehouden
58
houwen (tailler, frapper)
hieuw - gehouwen
59
kiezen (choisir)
koos - gekozen
60
kijken (regarder)
keek - gekeken
61
klimmen (grimper)
klom - geklommen
62
kluiven (mâcher, ronger)
kloof - gekloven
63
knijpen (pincer)
kneep - geknepen
64
komen (venir)
kwam - gekomen
65
kopen (acheter)
kocht - gekocht
66
krijgen (recevoir)
kreeg - gekregen
67
krimpen (rétrécir)
kromp - gekrompen
68
kruipen (ramper)
kroop - gekropen
69
kunnen (pouvoir)
kon - gekund
70
laten (laisser)
liet - gelaten
71
lezen (lire)
las - gelezen
72
liegen (mentir)
loog - gelogen
73
liggen (être couché)
lag - gelegen
74
lijden (souffrir)
leed - geleden
75
lijken (sembler)
leek - geleken
76
lopen (marcher)
liep - gelopen
77
melken (traire)
molk (of: melkte) - gemolken
78
meten (mesurer)
mat - gemeten
79
moeten (devoir)
moest - gemoeten
80
mogen (pouvoir, avoir la permission)
mocht - gemogen
81
nemen (prendre)
nam - genomen
82
ontbijten (prendre le petit déjeuner)
ontbeet - ontbeten
83
opblazen (gonfler)
blies op - opgeblazen
84
opmeten (mesurer)
mat op - opgemeten
85
opschrijven (noter)
schreef op - opgeschreven
86
opschuiven (faire glisser)
schoof op - opgeschoven
87
opschrikken (sursauter)
schrok op (of: schrikte op) - opgeschrokken (of: opgeschrikt)
88
pluizen (dépiauter, éplucher)
ploos (of: pluisde) - geplozen (of: gepluisd)
89
prijzen (honorer)
prees - geprezen
90
prijzen (coller des étiquettes)
prijsde - geprijsd
91
rieken (sentir, flairer)
rook - geroken
92
rijden (conduire)
reed - gereden
93
rijten (déchirer)
reet - gereten
94
rijzen (se lever, surgir)
rees - gerezen
95
roepen (appeler)
riep - geroepen
96
ruiken (sentir, avoir une odeur)
rook - geroken
97
schelden (injurier)
schold - gescholden
98
schenden (violer, profaner)
schond - geschonden
99
schenken (offrir, verser)
schonk - geschonken
100
scheppen (créer, faire)
schiep - geschapen
101
scheppen (avec une pelle)
schepte - geschept
102
scheren (raser)
schoor - geschoren
103
scheren (passer près de, frôler)
scheerde - gescheerd
104
schieten (tirer)
schoot - geschoten
105
schrijven (écrire)
schreef - geschreven
106
schrikken (avoir peur)
schrok - geschrokken
107
schuiven (glisser)
schoof - geschoven
108
slaan (frapper)
sloeg - geslagen
109
slapen (dormir)
sliep - geslapen
110
slijpen (aiguiser)
sleep - geslepen
111
slijten (user)
sleet - gesleten
112
slinken (diminuer, fondre)
slonk - geslonken
113
sluiten (fermer)
sloot - gesloten
114
smelten (fondre)
smolt - gesmolten
115
snijden (couper)
sneed - gesneden
116
snuiten (se moucher)
snoot - gesnoten
117
snuiven (renifler)
snoof - gesnoven
118
spinnen (filer, tisser)
spon - gesponnen
119
spijten (regretter)
speet - gespeten
120
splijten (fendre)
spleet - gespleten
121
spreken (parler)
sprak - gesproken
122
springen (sauter)
sprong - gesprongen
123
spugen (cracher)
spuugde (of: spoog) - gespuugd (of: gespogen)
124
spuiten (asperger, pulvériser)
spoot - gespoten
125
staan (être debout)
stond - gestaan
126
sterven (mourir)
stierf - gestorven
127
stijgen (monter, augmenter)
steeg - gestegen
128
stinken (puer)
stonk - gestonken
129
stoten (heurter, pousser)
stootte (of: stiet) - gestoten
130
strijden (combattre)
streed - gestreden
131
strijken (repasser, frotter)
streek - gestreken
132
stuiven (s’envoler, tourbillonner)
stoof - gestoven
133
terugvinden (retrouver)
vond terug - teruggevonden
134
tijgen (partir, s’avancer)
toog - getogen
135
treden (marcher, entrer)
trad - getreden
136
treffen (rencontrer, atteindre)
trof - getroffen
137
trekken (tirer)
trok - getrokken
138
uitblazen (souffler, éteindre)
blies uit - uitgeblazen
139
uittrekken (enlever, retirer)
trok uit - uitgetrokken
140
uitvinden (inventer)
vond uit - uitgevonden
141
uitzenden (diffuser, émettre)
zond uit - uitgezonden
142
vallen (tomber)
viel - gevallen
143
vangen (attraper)
ving - gevangen
144
varen (naviguer)
voer (of: vaarde) - gevaren
145
vechten (se battre)
vocht - gevochten
146
verbieden (interdire)
verbood - verboden
147
verbinden (lier, relier)
verbond - verbonden
148
verblijven (séjourner)
verbleef - verbleven
149
verdenken (suspecter)
verdacht - verdacht
150
vergeten (oublier)
vergat - vergeten
151
verheffen (élever)
verhief - verheven
152
verkiezen (préférer, élire)
verkoos - verkozen
153
verkopen (vendre)
verkocht - verkocht
154
verliezen (perdre)
verloor - verloren
155
vermijden (éviter)
vermeed - vermeden
156
verschuiven (déplacer)
verschoof - verschoven
157
verwijzen (référer)
verwees - verwezen
158
verzoeken (demander, solliciter)
verzocht - verzocht
159
vinden (trouver)
vond - gevonden
160
vlechten (tresser)
vlocht - gevlochten
161
vliegen (voler en avion ou oiseaux)
vloog - gevlogen
162
voldoen (satisfaire, remplir)
voldeed - voldaan
163
voorlezen (lire à voix haute)
las voor - voorgelezen
164
vragen (demander)
vroeg - gevraagd
165
vreten (dévorer, manger voracement)
vrat - gevreten
166
vriezen (geler)
vroor - gevroren
167
vrijen (faire l’amour)
vrijde (of: vree) - gevrijd (of: gevreeën)
168
waaien (souffler, vent)
woei (of: waaide) - gewaaid
169
wassen (laver)
waste - gewassen
170
wegen (peser)
woog - gewogen
171
weglaten (omettre)
liet weg - weggelaten
172
weglopen (s’enfuir)
liep weg - weggelopen
173
werpen (jeter)
wierp - geworpen
174
werven (recruter)
wierf - geworven
175
weten (savoir)
wist - geweten
176
weven (tisser)
weefde - geweven
177
wijken (céder, reculer)
week - geweken
178
wijzen (montrer)
wees - gewezen
179
willen (vouloir)
wou (of: wilde) - gewild
180
worden (devenir)
werd - geworden
181
wreken (venger)
wreekte - gewroken
182
wrijven (frotter)
wreef - gewreven
183
wringen (tordre)
wrong - gewrongen
184
zeggen (dire)
zei (of: zegde) - gezegd
185
zeiken (se plaindre, chier)
zeikte (of: zeek) - gezeikt (of: gezeken)
186
zenden (envoyer)
zond - gezonden
187
zien (voir)
zag - gezien
188
zijn (être)
was - geweest
189
zingen (chanter)
zong - gezongen
190
zinken (couler)
zonk - gezonken
191
zitten (être assis)
zat - gezeten
192
zoeken (chercher)
zocht - gezocht
193
zuigen (aspirer, sucer)
zoog - gezogen
194
zullen (devoir au futur)
zou - (gezuld)
195
zweren (jurer, promettre solennellement)
zwoer (of: zweerde) - gezworen (gezweerd)
196
zweren (avoir un ulcère)
zwoor (of: zweerde) - gezworen
197
zwerven (errer)
zwierf - gezworven
198
zwijgen (se taire)
zweeg - gezwegen
Study all 198 cards for free