les 10

101 flashcardsby juliana
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
se tuer
omkomen
2
le saut
de sprong
3
surplomber
hangen over
4
acquis (acquérir)
springen van
5
s’échapper
ontsnappen
6
un signe particulier
een bijzonder kenmerk
7
un comme un vers
spiernaakt
8
fuir
vluchten
9
emporter
meenemen
10
brutalement
plotseling
11
le plancher
de plankenvloer
12
céder
bezwijken
13
les pompiers
de brandweer
14
dégager
bevrijden
15
les décombres
de puin
16
l’altitude
de hoogte (berg)
17
l’errance
de zwerftocht
18
le chameau
de kameel
19
se décider à
besluiten te
20
un message de détresse
de noodsein
21
le voyagiste
de touroperator
22
supplier de
smeken te
23
le papier hygiénique
het wc-papier
24
le rouleau
de rol
25
rejoindre
bij elkaar komen
26
avoir les intestins dérangés
diarree hebben
27
la source
de bron
28
creuser
graven
29
détenir un record
een record houden
30
le décès
het overlijden
31
le ciel
de hemel
32
l’an passé
het afgelopen jaar
33
une espèce
een soort
34
menacé d’extinction
met uitsterven bedreigd
35
manger à sa faim
genoeg eten
36
empêcher
beletten
37
cultiver
bebouwen
38
éclore
uitkomen (ei)
39
un oeuf
een ei
40
il s’agit de
het betr3eft
41
depuis
sinds
42
le niveau
het peil
43
un tableau
een schilderij
44
un édifice
een gebouw
45
une algue
een alg
46
la marée haute, basse
een vloed, eb
47
s’enfocer
wegzakken
48
s’inverser
omkeren
49
la noyade
de verdrinkingsdood
50
le compatriote
de landgenoot
51
être noyé sous
bedolven zijn onder
52
suffrire
voldoen, genoeg zijn
53
recouvrir
bedekken
54
célébrer
vieren
55
je suis né(e) en 1970
ik ben in 1970 geboren
56
nous avonds déménagé à Paris
we zijn naar Parijs verhuisd
57
j’ai en deux enfants
ik heb 2 kinderen gekregen
58
je n’ai pas eu d’enfant(s)
ik heb geen kinderen gekregen
59
il a fait des études de sciences naturelles
hij heeft biologie gestudeerd
60
il s’est marié en 1982
hij is in 1982 getrouwd
61
nous avons quitté la France pour le Canada
we hebben Frankrijk verlaten om naar Canada te gaan
62
mon père est mort il y a deux ans
mijn vader is 2 jaar geleden overleden
63
ma grand-mère habite avec ma famille
mijn oma woont met mijn gezin
64
elle a loué un appartement en ville
ze heeft een appartement in de stad gehuurd
65
j’ai commencé à travailler pour une entrepise
ik ben begonnen voor een onderneming te werken
66
j’ai appris 3 langues étrangères
ik heb 3 vreemde talen geleerd
67
j’ai rencontré mon ami en Espagne
ik heb mijn vriend in Spanje ontmoet
68
il est arrivé un accident d’avion
er is een vliegtuigongeluk gebeurd
69
on a cambriolé cette maison
er is in dit huis ingebroken
70
les cambrioleurs ont violé la stéréo
de inbrekers hebben de stereo meegenomen
71
il y a eu un attentat
er is een aanslag geweest
72
vingt personnes ont été blessées
20 mensen zijn gewond geraakt
73
une personne a été tuée
een persoon is gedood
74
j’ai eu un accident de voiture
ik hbe een auto-ongeluk gehad
75
un canard en plastique
een plastic eend
76
se trouver
zich bevinden
77
un cargo
een vrachtschip
78
tomber à la mer
overboord gaan
79
l’Océan pacifique
de Stille oceaan
80
l’Océan atlantique
de Atlantische oceaan
81
des milliers de
duizenden
82
s’échouer
op de kust geworpen worden/stranden
83
un conteneur
een container
84
chuter d’un cargo
uit een vrachtschip vallen
85
dériver
op drift raken
86
flotter
drijven
87
traverser l’océan
de ocean oversteken
88
contourner
om iets heen drijven, lopen etc
89
le Groenland
Groenland
90
le détroit de Béring
de Beringstraat
91
atteindre
bereiken
92
poursuivre un voyage
een reis voortzetten
93
être pris par la glace
vastzitten in het ij
94
l’islande
Ijsland
95
couler
zinken
96
se disperser
zich verspreiden
97
longer la côte
langs de kust drijven, varen, etc
98
accoster
aanleggen
99
la Grand-Bretagne
Groot-Brittanie
100
le courant
de stroming
101
suivre
volgen
Study all 101 cards for free