frans ww vertaling

306 flashcardsby LindeF
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

First 300 of 306 cards

1
parler
spreken
2
acheter
kopen
3
rêver
dromen
4
danser
dansen
5
pleurer
huilen
6
allumer
aanzetten, aandoen
7
regretter quelque chose
spijt hebben van
8
expliquer
uitleggen
9
regarder quelque chose
kijken naar iets
10
ajouter
toevoegen
11
cacher
verbergen
12
prêter qqch à qqn
iets aan iemand lenen, uitlenen
13
inviter
uitnodigen
14
déjeuner
lunchen
15
tuer
doden
16
gagner
winnen
17
coûter
kosten
18
tenter de
proberen te
19
renverser
omvergooien
20
apporter
meebrengen
21
chercher
zoeken, halen
22
travailler
werken
23
quitter
verlaten
24
accompagner
vergezellen
25
voler
vliegen, stelen
26
arriver (être)
aankomen
27
entrer (être)
binnenkomen
28
tomber (être)
vallen
29
achever
beëindigen
30
amener
iemand ergens heen meebrengen
31
emmener
(iemand) meenemen
32
geler
(be)vriezen
33
lever
opheffen
34
se lever
opstaan
35
mener
leiden
36
peler
pellen
37
peser
wegen
38
se promener (être)
wandelen
39
appeler
roepen, bellen
40
s'appeler (être)
heten
41
se rappeler
zich herinneren
42
renouveler
vernieuwen
43
avancer
vooruitgaan
44
commencer
beginnen
45
annoncer
aankondigen
46
prononcer
uitspreken
47
effacer
uitwissen
48
s'exercer (être)
oefenen
49
lancer
gooien
50
placer
plaatsen
51
se déplacer (être)
zich verplaatsen
52
menacer
bedreigen
53
changer
veranderen
54
manger
eten
55
se changer (être)
zich omkleden
56
corriger
verbeteren
57
déménager
verhuizen
58
encourager
aanmoedigen
59
neiger
sneeuwen
60
protéger
beschermen
61
exiger
eisen
62
mélanger
mengen
63
nager
zwemmen
64
espérer
hopen
65
compléter
vervolledigen
66
exagérer
overdrijven
67
préférer
verkiezen
68
répéter
herhalen
69
révéler
openbaren
70
sécher
drogen
71
succéder à
opvolgen
72
oublier
vergeten
73
apprécier
waarderen
74
confier
toevertrouwen
75
crier
roepen
76
étudier
studeren
77
prier
bidden
78
publier
publiceren
79
remercier
bedanken
80
signifier
betekenen
81
appuyer
steunen
82
effrayer
doen schrikken
83
employer
gebruiken
84
s'ennuyer (être)
zich vervelen
85
essayer
proberen, passen
86
essuyer
afdrogen
87
nettoyer
schoonmaken
88
se noyer (être)
verdrinken
89
payer
betalen
90
jeter
werpen
91
feuilleter
doorbladeren
92
projeter
projecteren
93
rejeter
verwerpen
94
s'excuser
zich verontschuldigen
95
s'amuser
zich amuseren
96
se peigner
zich kammen
97
se reposer
uitrusten
98
se tromper
zich vergissen
99
s'arrêter
stoppen
100
s'installer
zich installeren
101
se brosser les dents
tandenpoetsen
102
se casser
breken
103
s'occuper de
zorgen voor
104
se coucher
gaan slapen
105
se moquer de
spotten met
106
se disputer
ruzie maken
107
se passer
gebeuren
108
s'habiller
zich aankleden
109
se marier avec
trouwen (met)
110
finir
eindigen
111
applaudir
toejuichen
112
choisir
kiezen
113
grandir
groeien
114
grossir
verdikken
115
guérir
genezen
116
investir
investeren
117
maigrir
vermageren
118
pâlir
bleek worden
119
punir
straffen
120
réflechir
nadenken
121
réussir à
slagen in
122
salir
vuil maken
123
vieillir
verouderen
124
définir
bepalen
125
rajeunir
verjongen
126
refroidir
afkoelen
127
rôtir
braden
128
rougir
blozen
129
remplir
vullen, invullen
130
surgir
plots tevoorschijn komen
131
saisir
(be)grijpen
132
partir
vertrekken
133
mentir
liegen
134
sentir
ruiken, voelen
135
servir
bedienen
136
sortir
uitgaan
137
dormir
slapen
138
se repentir
berouw hebben
139
s'en sortir
eruit geraken
140
se servir de
gebruiken, zich bedienen van
141
ouvrir
openen
142
couvrir
dekken, bedekken
143
découvrir
ontdekken
144
entrouvrir
half openen
145
offrir
aanbieden
146
souffrir
lijden
147
conduire
rijden
148
construire
bouwen
149
cuire
koken
150
détruire
vernietigen
151
instruire
onderwijzen
152
introduire
introduceren
153
produire
produceren
154
reconduire
wegbrengen, vergezellen
155
traduire
vertalen
156
peindre
schilderen
157
atteindre
bereiken
158
craindre
vrezen
159
éteindre
doven, uitschakelen
160
feindre
veinzen, doen alsof
161
joindre
samenvoegen, bereiken, bijeenbrengen
162
se plaindre
klagen, zich beklagen
163
rejoindre
zich voegen bij, bereiken
164
teindre
verven
165
attendre
wachten
166
correspondre
overeenkomen, stroken
167
défendre
verdedigen
168
dépendre de
afhangen van
169
entendre
horen
170
fendre
splijten
171
fondre
smelten
172
mordre
bijten
173
pendre
hangen
174
perdre
verliezen
175
prétendre
doen alsof
176
rendre
teruggeven
177
répondre
antwoorden
178
tendre
strekken
179
vendre
verkopen
180
descendre (être)
naar beneden komen, afdalen
181
acquérir
verwerven
182
conquérir
veroveren
183
requérir
verzoeken
184
aller
gaan
185
s'en aller
weggaan
186
s'asseoir
gaan zitten
187
avoir
hebben
188
avoir besoin de
nodig hebben
189
battre
verslaan
190
se battre
vechten
191
abattre
vellen
192
combattre
bestrijden
193
débattre
bespreken
194
se débattre
zich verzetten, tekeergaan
195
boire
drinken
196
bouillir
koken
197
conclure
besluiten
198
exclure
uitsluiten
199
inclure
insluiten
200
connaître
kennen, weten
201
apparaître
verschijnen
202
disparaître
verdwijnen
203
paraître
verschijnen
204
reconnaître
herkennen
205
coudre
naaien
206
découdre
loskomen
207
recoudre
weer naaien, hechten
208
courir
lopen
209
accourir
toesnellen
210
recourir à
zijn toevlucht nemen tot
211
secourir
te hulp komen
212
croître
groeien
213
accroître
toenemen
214
cueillir
plukken
215
accueillir
ontvangen
216
recueillir
opvangen
217
devoir
moeten
218
dire
zeggen
219
redire
herhalen
220
contredire
tegenspreken
221
interdire
verbieden
222
médire
kwaadspreken
223
prédire
voorspellen
224
écrire
schrijven
225
décrire
beschrijven
226
s'inscrire
zich inschrijven
227
prescrire
voorschrijven
228
souscrire
onderschrijven
229
émouvoir
ontroeren
230
promouvoir
bevorderen, promoten
231
envoyer
Sturen, zenden, terugsturen, ontslaan
232
renvoyer
terugzenden
233
être
zijn
234
faire
doen, maken
235
contrefaire
namaken
236
défaire
losmaken
237
refaire
opnieuw maken
238
satisfaire
voldoen
239
falloir
moeten
240
fuire
vluchten
241
s'enfuir
wegvluchten
242
haïr
haten
243
lire
lezen
244
élire
verkiezen
245
relire
herlezen
246
mettre
zetten, plaatsen, leggen
247
admettre
toegeven
248
émettre
uitzenden
249
permettre
toestaan
250
promettre
beloven
251
soumettre
onderwerpen, indienen
252
transmettre
overbrengen, doorgeven
253
mourir
sterven
254
plaire
bevallen
255
déplaire
niet bevallen
256
se plaire
elkaar bevallen
257
pleuvoir
regenen
258
pouvoir
kunnen, mogen
259
prendre
nemen
260
apprendre
leren
261
comprendre
begrijpen
262
entreprendre
ondernemen
263
étendre
uitbreiden
264
reprendre
hernemen
265
surprendre
verrassen
266
recevoir
ontvangen
267
apercevoir
opmerken, zien
268
décevoir
teleurstellen
269
résoudre
oplossen
270
absoudre
vergeven
271
dissoudre
oplossen
272
rire
lachen
273
sourire
glimlachen
274
rompre
verbreken
275
interrompre
onderbreken
276
savoir
weten, kunnen
277
suffire
volstaan
278
suivre
volgen
279
poursuivre
achtervolgen
280
se taire
zwijgen
281
tenir
houden
282
appartenir à
behoren tot
283
contenir
bevatten
284
entretenir
onderhouden
285
obtenir
behalen, bekomen
286
retenir
onthouden
287
soutenir
ondersteunen
288
traire
melken
289
distraire
afleiden
290
soustraire
aftrekken
291
vaincre
overwinnen
292
convaincre
overtuigen
293
valoir
waard zijn
294
venir
komen
295
intervenir
ingrijpen
296
parvenir à
lukken, slagen in
297
prévenir (avoir)
verwittigen
298
se souvenir de qqch
zich iets herinneren
299
vivre
leven
300
revivre
herbeleven

6 more cards in OutLearn. Open the full deck

Study all 306 cards for free