6allumer
aanzetten, aandoen
7regretter quelque chose
spijt hebben van
9regarder quelque chose
kijken naar iets
12prêter qqch à qqn
iets aan iemand lenen, uitlenen
27entrer (être)
binnenkomen
30amener
iemand ergens heen meebrengen
31emmener
(iemand) meenemen
38se promener (être)
wandelen
41se rappeler
zich herinneren
48s'exercer (être)
oefenen
51se déplacer (être)
zich verplaatsen
55se changer (être)
zich omkleden
84s'ennuyer (être)
zich vervelen
85essayer
proberen, passen
88se noyer (être)
verdrinken
94s'excuser
zich verontschuldigen
98se tromper
zich vergissen
100s'installer
zich installeren
101se brosser les dents
tandenpoetsen
103s'occuper de
zorgen voor
105se moquer de
spotten met
106se disputer
ruzie maken
108s'habiller
zich aankleden
109se marier avec
trouwen (met)
129remplir
vullen, invullen
130surgir
plots tevoorschijn komen
138se repentir
berouw hebben
139s'en sortir
eruit geraken
140se servir de
gebruiken, zich bedienen van
142couvrir
dekken, bedekken
152introduire
introduceren
154reconduire
wegbrengen, vergezellen
159éteindre
doven, uitschakelen
160feindre
veinzen, doen alsof
161joindre
samenvoegen, bereiken, bijeenbrengen
162se plaindre
klagen, zich beklagen
163rejoindre
zich voegen bij, bereiken
166correspondre
overeenkomen, stroken
168dépendre de
afhangen van
180descendre (être)
naar beneden komen, afdalen
188avoir besoin de
nodig hebben
194se débattre
zich verzetten, tekeergaan
200connaître
kennen, weten
207recoudre
weer naaien, hechten
210recourir à
zijn toevlucht nemen tot
220contredire
tegenspreken
226s'inscrire
zich inschrijven
227prescrire
voorschrijven
228souscrire
onderschrijven
230promouvoir
bevorderen, promoten
231envoyer
Sturen, zenden, terugsturen, ontslaan
246mettre
zetten, plaatsen, leggen
251soumettre
onderwerpen, indienen
252transmettre
overbrengen, doorgeven
256se plaire
elkaar bevallen
262entreprendre
ondernemen
267apercevoir
opmerken, zien
275interrompre
onderbreken
279poursuivre
achtervolgen
282appartenir à
behoren tot
285obtenir
behalen, bekomen
296parvenir à
lukken, slagen in
297prévenir (avoir)
verwittigen
298se souvenir de qqch
zich iets herinneren