1markt
groep kopers en verkopers met bepaalde patronen van interactie
is een institutie, berust op formele en informele spelregels, al dan niet spontaan ontstaan
2volkomen concurrentie
veel aanbieders, homogene producten
vb. koffie, cacao, grondstoffen, vervoer van grondstoffen
3monopolie
1 aanbieder
vb. microsoft, NMBS, Bpost
4oligopolie
enkele aanbieders, homogene of heterogenen producten
vb. telecomoperatoren, grootbanken, chemische bedrijven
5monopolistische concurrentie
veel aanbieders, heterogene producten
vb. kledij, restaurants, boeken
6heterogene producten
deze producten verschillen in de ogen van de koper
7homogene producten
producten die bijna helemaal hetzelfde zijn in de ogen van de consument
8substitutiegoederen
goederen die elkaar kunnen substitueren bij bevrediging eenzelfde behoefte
vb. boter of magarine
9complementaire goederen
de behoefte van het ene goed impliceert ook behoefte aan het andere
vb. auto en benzine
10normaal goed
goederen die je normaal niet zou kopen met je inkomen, maar als je inkomen stijgt, koop je deze wel
vb. reizen, kleren, tweede auto, groter woning
11inferieur goed
goed die je koopt wanneer je inkomen daalt
vb. gehakt, witte producten, bustickets
12ceteris paribus conditie
alle andere determinanten (zoals inkomen, prijzen, complementaire, substitutie, smaken) worden verondersteld ongewijzigd te blijven
13verandering van de prijs
--> beweging langs de vraagcurve of aanbodcurve
14verandering in andere determinanten dan de prijs
verschuiving van de vraagcurve of aanbodcurve naar links of rechts
15inkomenseffect
als prijs van een geod daalt, stijgt de koopkracht van je inkomen en kan je meer van dit en andere goederen kopen
16substitutie-effect
als de prijs van een goed daalt, zal je meer kopen van dit goed en minder van de relatief duurder geworden goederen
17kritische prijs vraagcurve
dis is de prijs die de markt maximaal bereid is te betalen. als de verkoper een hogere prijs vraagt, verkoopt hij geen enkele eenheid meer
18kritische prijs aanbodcurve
dit is de prijs onder dewelke geen enkele aanbieder nog uit de kosten komt en bereid zou zijn een aanbod te doen
19marktevenwicht
punt waar de vraag en aanbodcurve elkaar snijden, hiermee correspondeert: evenwichtsprijs en evenwichtshoeveelheid
20in het marktevenwicht wordt de markt geruimd
alle kopers hebben kunnen kopen wat ze wensten te kopen
alle verkopers hebben kunnen verkopen wat ze wensten te verkopen