1uitgangspunten van het standaard economisch model in dit hoofdstuk
kopers handelen rationeel
kopers prefereren meer tov minder
koopers maximeren hun nut
consumenten zijn uit op eigenbelang
2budgetrechte
geeft consumptiemogelijkheden weer die budgettair mogelijk zijn
3helling budgetrechte
relatieve prijs van de 2 goederen
4prijsverandering van 1 goed
helling BR verandert (en roteert rond he tpunt op de as waarvan het goed niet in prijs is veranderd)
5prijsverandering in beide goederen
helling BR verandert, maar deze verandering hangt af van de nieuwe relatieve prijsverhouding
6indifferntiecurve
preferenties van de consumenten
geven aan wat consument echt wenst
is een curve die aangeeft welke combinaties van goederen een consument eenzelfde nutsniveau opleveren
hoger gelegen ICs stemmen overeen met een hoger ordinaal nutsniveau
74 kenmerken van IC
1) hogere ICs worden geprefereerd tov lagers ICs
2) ICs zijn steeds dalend
3) ICs kunnen elkaar nooit kruisen
4) ICs zijn convex
8marginale subsitutievoet van de consument
geeft aan hoeveel extra eenheden van goed Y nodig zijn om het verlies van 1 eenheid van goed X te compenseren, zodat men finaal op hetzelfde nutsniveau (IC) blijft
MSV = delta Y / delta X = MUx / MUy
MSV wordt bepaald door de verhouding van de marginale nuttigheden
9eerste wet van Gossen
wet van het dalend grensnut
naarmate een consument over meer eenheden van een goed beschikt, daalt het marginaal nut van het goed, men wil het goed dan makkelijker afstaan
naarmate een consument over minder eenheden beschikt, stijgt het marginaal nu, men wil het goed dan moeilijker afstaan (men eist meer van het ander goed ter compensatie om op zelfde nutsnivea
10marginaal nut
dit is het nut verbonden aan het bekomen vaan 1 extra eenheid
11tweede wet van gossen
stelt dat prijzen zich verhouden zoals de marginale nuttigheden zich verhouden
prijzen reflectren dus de waarde/ baat die consumenten aan de goederen hechten
MSV = delta Y / delta X = MU x / MU y = Px / Py
12rationele consument
zal zijn consumptiepakket dus zo samenstellen dat voor de diverse aangekochte goederen, de verhoudingen van het marginaal nut van de laatst aangekochte eenheid op de prijs ervan, aan elkaar gelijk zijn
13inkomenseffect
door prijsdaling van 1 van de 2 goederen, stijgt ook de koopkracht van je inkomen en bijgevolg kan je meer kopen van beide goederen
14substitutie effect
door prijsdaling van 1 van de 2 goederen, ga je meer kopen van het relatief goedkoper geworden goed en minder van het relatief duurder geworden goed
15giffen goed
als prijs van een goed stijgt, kan heel uitzonderlijk Qd toenemen, omdat het inkomenseffect het substitutie effect kant overtrekken
vb aardappelen vlees
16cognitieve beperkingen
de mogelijkheid van de mens om simultaan groot aantal gegevens in zijn brein te verwerken/evalueren is beperkt
de mens heeft geen goddelijke inzichten
17bevredigend gedrag
de mens vergelijkt maar een beperkt aantal alternatieven en zodra hij een alternatief vindt dat voldoende bevrediging geeft, stopt hij met vergelijken (en beslist hij)
18nudging
via deze methode wordt de keuzearchitectuur subtiel beïnvloed om een bepaald (sociaal) doel te bereiken (maar er kan ook misbruik ontstaan voor commerciële of politieke doeleinden)
19veblen goed
goed dat exclusief wordt beschouwd
als de prijs ervan stijgt, wordt het exclusiever en gaan bepaalde mensen het meer kopen
20bandwagon effect
voorkeur voor een goed wordt sterker als meer mensen het beginnen te kopen
21positional goods
goederen die een persoon wil hebben louter omdat anderen ze niet hebben
eens anderen ze wel verwerven, verliezen ze hun waarde voor de eerste persoon. deze zal dan streven naar nog hoger gepositioneerde goederen
er ontstaat een soort wedloop