1temptare
-o proberen; op de proef stellen
2dicere
-o (dixi, dictum) zeggen; spreken
3tangere
-o (tetigi, tactum) aanraken; bereiken; treffen
4impellere
-o (impuli, impulsum) aandrijven; aanzetten
5consistere
-o (constiti) halt houden; zich opstellen
6intermittere
-o (intermisi, intermissum) onderbreken
7excipere
-io (excepi, exceptum) uitnemen; opvangen
8augere
-eo (auxi, auctum) doen groeien; vermeerderen
9condere
-o (condidi, conditum) stichten; opbergen
11occurrere
-o +dat. (occurri, occursum) tegemoet lopen
12esse
sum (fui) zijn; bestaan
13adducere
-o (adduxi, adductum) brengen naar
14obicere
-io (obieci, obiectum) stellen tegenover; verwijten
15adire
-eo (adii, aditum) gaan naar; bezoeken
16igitur
(nevensch. voegw.) dus
17-que
(nevensch. voegw.) en
18ergo
(nevensch. voegw.) dus
19ubi
(ondersch. voegw.) toen; wanneer
20cum
+ind. +conj.(ondersch. voegw.)toen; wanneer; omdat; hoewel
21ac of atque
(nevensch. voegw.) en
22tamquam
(ondersch. voegw.) zoals; alsof; als het ware
23quia
(ondersch. voegw.) omdat
24ne
(ondersch. voegw.) dat niet; (om) niet te; dat; opdat niet
25quamvis
(ondersch. voegw.) hoewel; hoe ... ook
26sive of seu
(ondersch. voegw.) hetzij; of als
27velut
(ondersch. voegw.) zoals
29-ne
(wordt niet vertaald); of
31perire
-eo (perii, peritum) ten onder gaan
32mittere
-o (misi, missum) zenden; laten gaan
33queri
-or (questus sum) klagen over
35metuere
-o (metui, metutum) vrezen
36vocare
-o roepen; noemen
37oportere
-et het is nodig
38agere
-o (egi, actum) voortdrijven; doen
39potiri
-ior +abl. bemachtigen; beheersen
40spectare
-o bekijken; op het oog hebben
41reperire
-io (repperi, repertum) vinden; te weten komen
42complere
-eo (complevi, completum) vullen
43meminisse
+ gen. (memini) zich herinneren
44exspectare
-o afwachten; verwachten
45vero
(nevensch. voegw.) inderdaad; maar
46si
(ondersch. voegw.) als
47autem
(nevensch. voegw.) maar; echter
48verum
(nevensch. voegw.) maar
49sed
(nevensch. voegw.) maar
50postquam
(ondersch. voegw.) nadat
51nec of neque
(nevensch. voegw.) en niet; ook niet
52quod
(ondersch. voegw.) omdat
53dum
(ondersch. voegw.) terwijl; zolang als; totdat
54nisi
(ondersch. voegw.) als niet; tenzij
55nam
(nevensch. voegw.) want
56enim
(nevensch. voegw.) want
57quamquam
(ondersch. voegw.) hoewel
58ut
+ind. +conj.(ondersch. voegw.) zoals; toen; wanneerdat; (om) te; opdat; zodat
59et
(nevensch. voegw.) en; ook
60referre
-fero (rettuli, relatum) terugbrengen; rapporteren
61imperare
-o bevelen; opeisen
63capere
-io cepi, captum nemen; krijgen
64nasci
-or natus sum geboren worden
65dare
-o dedi, datum geven
66patere
-eo openstaan; duidelijk zijn
67mandare
-o toevertrouwen; opdragen
68respondere
-eo respondi, responsum antwoorden
69praeesse
-sum +dat. praefui aan het hoofd staan van
70legere
-o legi, lectum lezen; kiezen; verzamelen
71poscere
-o poposci eisen
73gerere
-o gessi, gestum dragen; voeren
74afficere
-io affeci, affectum treffen
75auferre
-fero abstuli, ablatum wegnemen
81quidem
weliswaar; tenminste; meer bepaald
85contra
ertegenover; anderzijds priusquam(ondersch. voegw.) voordat
86quoniam
(ondersch. voegw.) aangezien
87quin
(ondersch. voegw.) dat; dat niet
88quasi
(ondersch. voegw.) alsof
89aut
(nevensch. voegw.) of
90at
(nevensch. voegw.) maar
91subire
-eo (subii, subitum) ondergaan; bestijgen; naderen
92uti
-or +abl. (usus sum) gebruiken; omgaan met
93cogere
-o (coegi, coactum) bijeenbrengen; dwingen
94permittere
-o (permisi, permissum) toestaan; toevertrouwen
95petere
-o (petivi, petitum) gaan naar; aanvallen; nastreven; vragen
96iungere
-o (iunxi, iunctum) verbinden
97conferre
-fero (contuli, collatum) bijeenbrengen; vergelijken
98accipere
-io (accepi, acceptum) ontvangen; vernemen
100conficere
-io (confeci, confectum) afmaken
101posse
-sum (potui) kunnen
102praebere
-eo aanbieden; tonen
103ostendere
-o (ostendi, ostentum) tonen
104superare
-o overwinnen; overblijven
106tum of tunc
op dat moment; dan
114tantum
zoveel; alleen maar
123tandem
eindelijk; uiteindelijk
124undique
van overal; aan alle kanten
127unde
vanwaar; (vandaar) ... vanwaar
129adhuc
tot nu toe; nog altijd
135inde
vandaar; daarna; daarom
136mutare
-o veranderen; verwisselen
137iacere
-io (ieci, iactum) werpen
138occidere
-o (occidi, occisum) doden
139malle
-o malui liever willen
140consuescere
-o (consuevi, consuetum) gewoon worden
141oriri
-ior (ortus sum) ontstaan; opkomen
142debere
-eo moeten; verschuldigd zijn
143timere
-eo vrezen; bang zijn
144novisse
(novi, notum) kennen
145velle
volo (volui) willen
146incendere
-o (incendi, incensum) in brand steken
148contendere
-o (contendi, contentum) zich inspannen; wedijveren
150instare
-o (institi) in het nauw brengen; dreigen
151vetare
-o (vetui, vetitum) verbieden
152vivere
-o (vixi, victum) leven
153colere
-o (colui, cultum) bewerken; bewonen; vereren
154dubitare
-o twijfelen; aarzelen
155existimare
-o oordelen; menen
156audire
-io (audivi, auditum) horen; luisteren naar
157ruere
-o (rui, rutum) vooruitstormen; instorten
158solere
-eo (solitus sum) gewoon zijn
159deserere
-o (deserui, desertum) verlaten
160videre
-eo (vidi, visum) zien
161facere
-io (feci, factum) maken; doen
162pertinere
-eo (pertinui) zich uitstrekken; betreffen
163accedere
-o (accessi, accessum) naderen
164movere
-eo (movi, motum) bewegen; beïnvloeden
165munire
-io bouwen; versterken; beschermen
169paulo of paulum
een beetje
173quantum
hoeveel; (zoveel) als
179primo of primum
eerst; voor het eerst
182item
op dezelfde manier; ook
196iuvare
-o (iuvi, iutum) helpen
197ducere
-o (duxi, ductum) leiden
198amare
-o (amavi, amatum) beminnen; houden van
199licere
-et +dat. het is toegelaten
201repetere
-o (repetivi, repetitum) teruggaan naar; terugvragen; herhalen
202reddere
-o (reddidi, redditum) teruggeven; maken tot
203statuere
-o (statui, statutum) plaatsen; vaststellen; beslissen
204experiri
-ior (expertus sum) op de proef stellen; ondervinden
205gaudere
-eo (gavisus sum) blij zijn
206cognoscere
-o (cognovi, cognitum) leren kennen; vernemen
207conicere
-io (conieci, coniectum) werpen
208premere
-o (pressi, pressum) drukken; neerdrukken
209currere
-o (cucurri, cursum) lopen
210circumvenire
-io (circumveni, circumventum) omsingelen
211sequi
-or (secutus sum) volgen
212recipere
-io (recepi, receptum) ontvangen
213afferre
-fero (attuli, allatum) brengen (naar)
214excedere
-o (excessi, excessum) weggaan uit; overschrijden
215committere
-o (commisi, commissum) begaan; toevertrouwen; beginnen
216fugere
-io (fugi) vluchten
217iacere
-eo (iacui) liggen
218sentire
-io (sensi, sensum) voelen; merken; menen
219monere
-eo (monui, monitum) waarschuwen
220pervenire
-io (perveni, perventum) bereiken
221iubere
-eo (iussi, iussum) bevelen
223reverti
-or (reverti, reversum) terugkeren
224servare
-o bewaren; redden
225superesse
-sum (superfui) overblijven
232ne ... quidem
zelfs niet
233exigere
-o (exegi, exactum) uitdrijven; eisen; voltooien
234credere
-o +dat. (credidi, creditum) geloven; vertrouwen; toevertrouwen
235inquit
inquit zegt hij/zij
236providere
-eo (providi, provisum) voorzien; zorgen voor
237resistere
-o (restiti) stilstaan; zich verzetten tegen
238interficere
-io (interfeci, interfectum) doden
239turbare
-o in verwarring brengen
240convertere
-o (converti, conversum) omkeren; veranderen in
241egredi
-ior (egressus sum) buitengaan
242tegere
-o (texi, tectum) bedekken; beschermen
243decernere
-o (decrevi, decretum) beslissen
244offerre
-fero (obtuli, oblatum) aanbieden
245tueri
-eor bekijken; beschermen
246valere
-eo gezond zijn; krachtig zijn; in staat zijn
247probare
-o goedkeuren; bewijzen
248cadere
-o (cecidi, casum) vallen
249sustinere
-eo (sustinui, sustentum) omhooghouden; tegenhouden; uithouden
250dividere
-o (divisi, divisum) verdelen
251miscere
-eo (miscui, mixtum) vermengen
252scribere
-o (scripsi, scriptum) schrijven
253contingere
-o (contigi, contactum) raken
254constare
-o (constiti) vaststaan; bestaan uit
255progredi
-ior (progressus sum) verdergaan
256adesse
-sum +dat. (adfui) aanwezig zijn; helpen
257relinquere
-o (reliqui, relictum) achterlaten; verlaten
258considere
-o (consedi, consessum) gaan zitten
259venire
-io (veni, ventum) komen
260tenere
-eo (tenui, tentum) houden; vasthouden
262deesse
-sum (defui) ontbreken; in de steek laten
263omittere
-o (omisi, omissum) opgeven
264differre
-o (distuli, dilatum) verspreiden; uitstellen; verschillen
265continere
-eo (continui, contentum) vasthouden; omvatten
266cernere
-o (crevi, cretum) in het oog krijgen; zien
267habere
-eo hebben; houden; beschouwen als
268vertere
-o (verti, versum) omkeren; veranderen in
269remittere
-o (remisi, remissum) terugzenden; laten gaan
270dimittere
-o (dimisi, dimissum) wegzenden; laten gaan
271cupere
-io (cupivi, cupitum) verlangen
272tendere
-o (tetendi, tentum) spannen; streven; gaan
274consulere
-o (consului, consultum) beraadslagen; raadplegen; zorgen voor
275amittere
-o (amisi, amissum) verliezen
276demonstrare
-o aantonen
277vereri
-eor (veritus sum) vrezen
278loqui
-or (locutus sum) spreken
279pellere
-o (pepuli, pulsum) verdrijven
280deligere
-o (delegi, delectum) uitkiezen
281inire
-eo (inii, initum) binnengaan; beginnen
283placere
-eo +dat. bevallen; aanstaan
284incipere
-io (incepi, inceptum) beginnen
285fieri
fio (factus sum) worden; gebeuren; gemaakt worden
286parare
-o klaarmaken; verwerven
287educere
-o (eduxi, eductum) naar buiten brengen; opvoeden
288tollere
-o (sustuli, sublatum) opheffen; wegnemen
290confidere
-o +dat. (confisus sum) vertrouwen
291audere
-eo (ausus sum) durven
292praestare
-o (praestiti, praestatum) geven; tonen
293videri
-eor +dat. (visus sum) schijnen
295claudere
-o (clausi, clausum) sluiten
296tradere
-o (tradidi, traditum) overhandigen; toevertrouwen; overleveren
297retinere
-eo (retinui, retentum) tegenhouden; behouden
299transire
-eo (transii, transitum) oversteken
300ferre
fero (tuli, latum) dragen; brengen; meenemen