frans

201 flashcardsby Loopenvv
Study these flashcardsFree · spaced repetition · iPhone, Android, Mac & web

All cards

1
aan het + infinitief
être en train de + infinitif
2
aanbevelen, een aanbeveling
recommander, une recommandation
3
aanbieden, een aanbod
offrir, une offre
4
aandringen
insister
5
aangaanetreffen
concerner/en ce qui concerne (wat-)
6
een aankomst/een vertrek
une arrivéen départ
7
aanmelden/afmelden
se connecter/se déconnecter
8
aanmoedigen, een aanmoediging
encourager, un encouragement
9
een aanslag
un attentat
10
aansteken/afsteken, doven
allumer/éteindre
11
aantrekken, het zich aantrekken
s'en faire
12
aanvallen, een aanval
attaquer, une attaque
13
aanranden, een aanranding
agresser, une agression
14
aarzelen, een aarzeling
hésiter, une hésitation
15
een advertentie
une annonce
16
afgeven
remettre, rendre
17
afhangen van
dépendre de
18
zich afspelen
se dérouler
19
afspreken
se donner rendez-vous, se voir
20
afval, vuilnis
les déchets (m), les ordures (f)
21
bedelen
mendier
22
een bedrag
un montant, une somme
23
bedreigen, een bedreiging
menacer, une menace
24
een bedrijf, firma
une firme, une compagnie, une entreprise
25
beetje/weinig/te weinig
un peu/peu de/trop peu de
26
bedriegen, zich vergissen
tromper, se tromper
27
begaafd
doué
28
behouden, bijhouden
garder
29
beledigen, een belediging
insulter, une insulte
30
beleefd/onbeleefd
poli/impoli
31
belonen, een beloning
récompenser, une récompense
32
bereiken
atteindre
33
beschaamd zijn
avoir honte
34
beschadigen
abîmer, endommager
35
beschermen, een bescherming
protéger, une protection
36
beschikken over
disposer de
37
beschrijven, een beschrijving
décrire, une description
38
beschuldigen, een beschuldiging
accuser, une accusation
39
beseffen, zich realiseren
réaliser, se rendre compte du fait que
40
beslissen, een beslissing
décider, une décision
41
bestaan, bestaan uit, inhouden
exister, être composé de, se composer de, consister en, consister à + inf
42
besteden
consacrer à
43
bestellen, een bestelling
commander, une commande
44
betalen, terugbetalen
payer, rembourser
45
betekenen, een betekenis
signifier, une signification
46
betreuren, spijtig vinden, jammer vinden
regretter, trouver dommage, être désolé
47
betrouwbaar
fiable
48
inhouden, een inhoud
contenir, un contenu
49
bevatten
comprendre
50
bevelen, een bevel
ordonner, un ordre
51
bevestigen, een bevestiging
confirmer, une confirmation
52
beweren, een bewering
prétendre, une affirmation
53
bewijzen, een bewijs
prouver, une preuve
54
(zich) bezig houden (met)
occuper, s'occuper de
55
bijgevolg
par conséquent
56
bijten, een beet
mordre, une morsure
57
binnenlanduitenland
en Belgique/l'étranger
58
blijven
rester
59
een blikje
une canette
60
de bliksem/de donder
la foudre/le tonnerre
61
blind/doof/stom
aveugle/sourd/muet
62
een bocht/een kruispunt/een rondpunt
un virage, un tournantn carrefour, un croisement/ un rond-point, une rotonde
63
een boete
une amende
64
bouwen, een gebouw
bâtir, un bâtiment
65
boven (op)/onder
au-dessus (de), sur/au-dessous (de), sous
66
branden, een brand
brûler, un incendie
67
breken, uitmaken
casser
68
daarentegen
en revanche, par contre
69
dagelijks
quotidien(ne)
70
dankzij/omwille van
grâce à/à cause de
71
deelnemen aan, een deelname
participer àne participation
72
delen
partager
73
dienen voor, tot
servir à
74
discussiëren, een discussie
discuter, une discussion
75
doeltreffend, doeltreffendheid
efficace, efficacité
76
een doelwit
une cible
77
de doodstraf
la peine de mort
78
downloaden, een download
télécharger, un téléchargement
79
droog/nat
sec, sèche/mouillé
80
een droom, nachtmerrie
un rêve
81
druk
--> dépend du context
82
durven
oser
83
duuroedkoop
cher(s), chère(s)on marché (invariable)
84
drukken
appuyer sur, presser sur qqch
85
een eeuw/een tijdperk
un sièclene époque
86
efficiënt, een efficiëntie
efficace, une efficacité
87
eigen
propre
88
een einde/een begin
la fin/le début
89
eindigen, een einde maken aan, beëindigen
finir, terminer, se terminer
90
eisen, een eis
exiger, une exigence
91
elkaar/zich
se
92
elke/om
chaque + singulier/tous, -tes les + pluriel
93
enkel, slechts
seulement, ne ... que
94
erven, een erfgenaam, een erfenis
hériter, un héritiern héritière, un héritage
95
even
égal
96
flauwvallen
s'évanouir
97
een gast/een gastheer
un hôte, invitén hôte, une hôtesse
98
gebeuren, een gebeurtenis
arriver, se passer, un évènement, un fait
99
een gebrek/een tekort aan
un défautn manque de
100
gebruiken, een gebruik
employer, un emploi
utiliser, une utilisation
101
geld
argent (m): des billets
monnaie (f): des pièces: munteenheid
102
geleden
"il y a" + ...
103
gelijk hebben/ongelijk hebben
avoir raison/avoir tort
104
genezen, een genezing
guérir, une guérison
105
genieten van
profiter de, jouir de
106
een gevangenis, een gevangene
une prison, un prisonnier, une prisonnière, un détenu
107
getuigen, een getuige, een getuigenis
témoigner, un témoin, un témoignage
108
gezellig, een gezelligheid
chouette, agréable, confortable, sympa, convivial, une convivialité
109
goedkoop/duur
bon marché (inv) / cher
110
(zich) haasten
se dépêcher, se grouiller
111
haven/station/vliegveld
un portne garen aéroport
112
hel/hemel
un enfern ciel
113
de helft
la moitié
114
herdenken, een herdenking
commémorer, une commémoration
115
zich herinneren, een herinnering
se rappeler qqch, se souvenir de qqch, un souvenir
116
hersenen
le cerveau
117
hetzelfde
la même chose
118
een hoek
un coin, un angle
119
een hokje, vakje
une case, un casier
120
een hoofdstad/een inwoner/een land
une capitalen habitantn pays
121
op de hoogte
au courant
122
houden van, graag doen
aimer
123
huren, een huurder, een huur
louer, un locataire, un loyer
124
iedereen
- tout le monde + singulier
- tous, toutes + pluriel
125
iets ...
- qqch de + adj au masculin
- une chose + adj au féminin
126
de hulp, de hulpdiensten
le secours, l'aide, les services de secours
127
inbreken, een inbraak
cambrioler, un cambriolage
128
in tegenstelling tot (wat)
contrairement à (ce que)
129
ingangitgang
une entrée / une sortie
130
inlichten, een inlichting
- renseigner, un renseigenement
- informer, une information
131
inpakkenitpakken, een verpakking
emballer/déballer, un emballage
132
inslikken
avaler
133
instappenitstappen
monter dans/descendre de
134
instorten
s'écrouler, s'effondrer
135
zich interesseren
s'intéresser à
136
(weg)jagen, een jacht
chasser, une chasse
137
klaar, klaar omereid te
prêt, être prêt à + inf
138
klad
un brouillon
139
(be)klagen
(se) plaindre
140
klimmen in, op
grimper dans, sur
141
kloppen, een klop
frapper, un coup
142
komenaan halen
venir/aller chercher
143
kopen, een aankoop
acheter, un achat
144
kruipen
ramper
145
kunnen, mogen
- pouvoir: être capable de, avoir la permission
- savoir: avoir le talent
146
een kus, kussen, omhelzen, vrijen
un baiser, un bisou, se faire la bise, s'embrasser, faire l'amour
147
laden, een lading, een lader
charger, une charge, un chargeur
148
landen/opstijgen
atterrir/décoller
149
langs/naast
le long de/à côte de
150
laten
-faire: "doen" gebeuren (obligation)
-laisser: "laten" gebeuren (permission)
151
leeg/vol
vide/plein
152
een leger
une armée
153
leiden
mener, diriger
154
uitlenen, ontlenen
prêter (uit), emprunter(ont)
155
leren, aanleren
apprendre, à faire
156
leveren, een levering
livrer, une livraison
157
liegen, een leugen
mentir, un mensonge
158
liever
préférer
159
lijden, afzien
souffrir
160
lijken op
ressembler
161
een litteken
une cicatrice
162
een lot, een lottrekking
un sort, le tirage au sort
163
lui, een luiheid
paresseux, une paresse
164
een maatregel
une mesure
165
de macht
le pouvoir
166
maken
rendre
167
meebrengen/meenemen
- apporter/emporter => objects
- amener/emmener => personnes
168
medelen, een mededeling
communiquer, une communication
apprendre
169
de meeste
la plupart
170
meten
mesurer
171
mislukken, een mislukking/slagen, een succes
échouer, un échecéussir qqch, une réussite
172
missen
manquer (sentiment)
rater (rater le bus)
173
moeite, de moeite waard
la peine, valoir la peine
174
moeten
devoir, falloir, il faut...
175
nadeel/voordeel
un désavantage, un inconvénientn avantage
176
nadenken, een bedenking
réfléchir, une réflexion
177
verliezen, een nederlaag
perdre, une défaite
178
nergens/overal
nulle part/partout
179
een netwerk
un réseau
(zowel internet als treinnetwerk)
180
niemand
ne ... personne
personne ne ...
181
niet
ne ... pas
182
nochtans
pourtant, cependant, toutefois
183
nodig, nodig hebben, nodig zijn
nécessaire, avoir besoin de, il faut
184
nooit
ne ... jamais
185
of
- ou (choix)
- si (discours indirect)
186
oefenen, een oefening
- s' exercer, un exercice
- s' entraîner, un entraînement
187
onberispelijk
impeccable
188
ondanks
malgré
189
onderbreken, een onderbreking
interrompre, une interruption
190
onderhandelen, een onderhandeling
négocier, une négociation
191
ongerust, zich ongerust maken
inquiet, s'inquiéter de
192
ontdekken, een ontdekking
découvrir, une découverte
193
ontgoochelen, een ontgoocheling
décevoir, une déception
194
ontkennen, negeren
nier, ignorer
195
ontmoeten, een ontmoeting
rencontrer, une rencontre
196
ontploffen, een ontploffing
exploser, une explosion
197
ontsnappen, een ontsnapping
- s'évader de, une évasion
- s' échapper de, échapper à
198
ontwikkelen, een ontwikkeling
développer, un développement
199
onverschillig, een onverschilligheid
indifférent, une indifférence
200
oordelen, een oordeel, een rechter
juger, un jugement, un juge
estimer: van oordeel zijn
201
oorlog/vrede
la guerre/la paix
Study all 201 cards for free