1Regelt de functies van de cel (vb. wat er gedaan moet worden: een bepaald spiereiwit maken, celdeling of ...) Bewaart het erfelijk materiaal en geeft dit door ( bij celdeling, voortplanting).
De kern
2- Vormt begrenzing met de buitenwereld.
- Regelt welke stoffen in en uit de cel moeten.
- Herkennen van vreemde stoffen.
Celmembraan
3Helpt (licht)energie opslaan in de vorm van een energie-rijke stof zoals glucose. Dit gebeurt tijdens de fotosynthese.
Chloroplast
4- Opslaan van reservestoffen;
- Stevigheid geven aan de cel bij planten;
- Bepaalt de osmotische waarde van de cel (zie later in de leerstof).
Vacuole
5- Opslaan van reservestoffen;
- Stevigheid geven aan de cel bij planten;
- Bepaalt de osmotische waarde van de cel (zie later in de leerstof).
Vacuole
6Zorgt voor de vrijmaking van energie in de cel.
Voert de celademhaling uit: Suiker of vet + O2 ==> CO2 + water + energie (ATP).
Vergelijk met energiecentrale.
Mitochondrie
7Helpt bij de celdeling (nl. bij de verdeling van de chromosomen) en komt enkel voor in dierlijke cellen.
Centrosoom
8Zij maken allerlij eiwitten voor de cel zoals enzymen voor spijs-vertering, hemoglobine (rode bloedkleurstof); Andere eiwitten zijn bouwstof voor haren, nagels spieren, enz ...
Ribosoom
9Helpen bij vorming en transport van eiwitten in de cel. Synthese van vetten en daardoor ook een belangrijke rol bij de vorming van membranen.
Endoplasmatisch reticulum
10De plaats waar alle chemische reacties plaatsvinden
Cytoplasma
11Zorgt voor omvorming, opslag en afgifte an secretieproducten (uit de cel brengen) van stoffen.
Vormt ook lysosomen.
Golgicomplex
12Afbraak van stoffen (celeigen of celvreemd)
Lysosoom
13Geeft stevigheid aan de cel.
Bestaat uit cellulose.
De celwand